Vorige week heeft de Raad van State de gemeente Zundert in het gelijk gesteld in een belangrijke hoger beroepsuitspraak. Volgens de Raad van State had de rechtbank ten onrechte overwogen dat B&W in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel hadden gehandeld door zonder nader onderzoek door een in asbestonderzoek gespecialiseerd bedrijf tot de conclusie te komen dat geen sprake was van strijd met het zorgplichtartikel uit de Woningwet. Met andere woorden, de eis van de rechtbank dat een gemeente een in asbestonderzoek gespecialiseerd bedrijf moest inschakelen om aan te tonen of een situatie al dan niet gevaar oplevert, achtte de Raad van State onhoudbaar.
Wat was er aan de hand? Een omwonende had zich tot het College gewend met het verzoek om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van asbesthoudende platen op de schuur op een perceel in Rijsbergen. Volgens de omwonende zou het zorgplichtartikel van de Woningwet zijn overtreden. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet, zoals die gold ten tijde van dit geding, draagt de eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er zorg voor draagt dat, voor zover dat in diens vermogen ligt, als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Nadat het College dit verzoek tot tweemaal toe had afgewezen, besloot de Rechtbank om het door de omwonende daartegen ingestelde beroep gegrond te verklaren en het College op te dragen om een nieuw besluit te nemen.
In hoger beroep betoogde het College dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat de gemeente niet zonder nader onderzoek van een in asbest gespecialiseerd bedrijf naar de platen op de schuur heeft kunnen concluderen dat artikel 1a van de Woningwet niet was overtreden. Weliswaar oordeelde de Raad van State dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het voldoende aannemelijk is dat de dakplaten asbest bevatten, maar daarmee is niet gezegd dat ook sprake is van een gevaarlijke situatie.
Volgens de Raad van State heeft het College terecht betoogd dat zij – anders dan de rechtbank vond – wel voldoende zorgvuldig had gehandeld bij de afwijzing van het handhavingsverzoek. Aan dit besluit was namelijk een verslag van bevindingen van 30 januari 2012 van de heer Coopmans ten grondslag gelegd. In het verslag van bevindingen was vermeld dat bij de inspectie van die datum door Coopmans geen beschadigingen aan het dak van de schuur waren geconstateerd. Eventuele beschadigingen kunnen leiden tot gevaar voor vrijkomen van asbesthoudend materiaal. Het College had geen aanleiding om aan te nemen dat Coopmans zijn inspectie onzorgvuldig had verricht, dan wel dat het verslag van bevindingen gebreken vertoonde. Temeer nu verzoeker slechts foto’s had overgelegd van het dak van de schuur en bijvoorbeeld geen foto’s had overgelegd van materiaal dat hij op zijn perceel had aangetroffen.
De rechtbank had dus miskend dat Coopmans in voldoende mate deskundig was om in dit geval te beoordelen of gevaar voor de gezondheid bestond. Hij heeft een opleiding milieutechnologie gevolgd en aanvullende opleidingen, waaronder een opleiding asbestherkenning. Verder heeft hij ruim 30 jaar ervaring opgedaan als toezichthouder. Nu tijdens de visuele inspectie op 30 januari 2012 door Coopmans geen gevaar voor vrijkomen van asbesthoudend materiaal is geconstateerd, was het College niet gehouden nader onderzoek te laten verrichten door een gespecialiseerd bedrijf.
Het hoger beroep van de gemeente werd dan ook gegrond verklaard. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaarde de Raad van State het beroep van de omwonende alsnog ongegrond.
