Gebouweigenaren lopen levensgroot risico bij calamiteiten

Een algemene verplichting om asbest te saneren, bestaat niet. Dit laat onverlet dat het eigendom van een asbesthoudend gebouw grote (financiële) risico’s met zich meebrengt. Niet alleen wat aansprakelijkheden betreft, bijvoorbeeld richting huurders, maar ook als sprake is van een calamiteit. In onze praktijk merken wij dat maar weinig gebouweigenaren zich van dit laatste levensgrote risico bewust zijn.

Regelmatig vinden calamiteiten plaats waarbij asbest vrijkomt. Vaak gaat het om een brand in een loods, schuur of stal met asbesthoudende dakplaten. Door de brand wordt asbest verspreid in de omgeving met alle gevolgen van dien voor de volksgezondheid.

Naast het feit dat de eigenaren van de naastgelegen percelen zullen proberen hun schade te verhalen, kan een eigenaar van een afgebrand gebouw ook een aanschrijving van de gemeente verwachten. Op grond van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer bestaat namelijk voor eenieder de verplichting om direct de nadelige effecten van de brand zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. In de praktijk wordt bijna altijd de eigenaar van het afgebrande pand aangeschreven. Als het om een bedrijfspand gaat, kan op grond van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer ook de exploitant van een bedrijf, de zogenaamde ‘drijver van de inrichting’, een soortgelijke aanschrijving ontvangen.

Last onder bestuursdwang
Neemt een eigenaar of exploitant niet direct de benodigde maatregelen, dan kan een gemeente hiertegen optreden met onder andere een last onder bestuursdwang. In dat geval wordt een (vaak zeer korte) termijn gesteld waarbinnen een asbestsaneerder opdracht moet worden gegeven voor de noodzakelijke werkzaamheden. Gebeurt dit niet, dan geeft de gemeente zelf opdracht aan een door haar geselecteerde saneerder. De kosten hiervan worden op grond van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht op de overtreder – vaak de eigenaar – verhaald. Het gaat hierbij vaak om tienduizenden euro’s.

In zeer spoedeisende gevallen kan de gemeente met een beroep op artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht zelfs direct opdracht geven aan een saneerder om met een sanering te beginnen. Ook in die gevallen komen de uiteindelijke kosten voor rekening van de overtreder.

Verkapte risicoaansprakelijkheid
Dat de gevolgen voor een eigenaar vaak verstrekkend zijn, is zeer recent in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2013 met nummer 201303093/1/A1 nogmaals bevestigd. De saneringskosten van in totaal € 38.791,69 kwamen volledig voor rekening van de eigenaar.

Uit eerdere uitspraken van de Afdeling blijkt bovendien dat een gebouweigenaar van goeden huize moet komen als hij niet wil opdraaien voor de kosten van een sanering. Door de rechter wordt over het algemeen veel waarde toegekend aan het risico van asbest voor de volksgezondheid en het milieu. Vaak gaat een rechter voorbij aan de specifieke omstandigheden van het geval, of wordt hieraan onvoldoende belang toegekend. Kort en goed rust op de eigenaar van een asbesthoudend gebouw een verkapte risicoaansprakelijkheid als het gaat om saneringskosten na een calamiteit. Specialistische juridische bijstand is in deze zaken dan ook van het grootste belang. Anders zal een gemeente – in de regel met succes – proberen de kosten van een sanering volledig op de gebouweigenaar kunnen afwentelen.

Voor een overzicht van alle relevante jurisprudentie over dit onderwerp wordt verwezen naar het boek van P.A.J. Huijbregts en T. Segers ‘Asbest, Toezicht & Handhaving’, Berghauser Pont Publishing, 2012. Begin 2014 verschijnt van dit boek een geheel vernieuwde editie.

Advies
Ons advies is dan ook om zelf het heft in handen te houden. Dit doet u door juridisch advies in te winnen. Hiermee kunt u voorkomen dat er onvoldoende aandacht is voor uw belangen en u uitsluitend kunt opdraaien voor de vaak zeer hoge saneringskosten.