Een trap na voor slachtoffers van beroepsziekten

Door Mr.dr. Yvonne Waterman

Het is voor het slachtoffer van een beroepsziekte een ware lijdensweg om zijn recht te halen. Zo is procederen afschrikwekkend duur vanwege de noodzakelijke bijstand van gespecialiseerde advocaten en medische deskundigen. Ook is tien jaar of langer procederen niets bijzonders. De afgelopen zomer heeft de Hoge Raad het nog moeilijker gemaakt voor beroepsziekteslachtoffers.

In de Zeven Juni-arresten (SVB/Van de Wege en Ritsma/Lansink, 2013) heeft de Hoge Raad bepaald dat het slachtoffer moet aantonen dat de relatie tussen zijn gezondheidsklachten en zijn werk ‘voldoende zeker en bepaalbaar’ is. Dat is een zware bewijslast. Het vervelende is: verreweg de meeste beroepsziekten hebben meerdere potentiële oorzaken die zowel in het werk als in de privésfeer kunnen liggen. De oorzaak kan gemakkelijk door de werkgever worden betwist door daarover twijfel te zaaien, in plaats van hard tegenbewijs te leveren. De vereiste mate van ‘zeker en bepaalbaar’ is dan nauwelijks meer door de werknemer te bewijzen.

Dit is gebleken in de zaak van werkneemster Van de Wege. Zij kreeg bij de SVB een ernstige RSI als gevolg van bewezen tekortschietende arbeidsomstandigheden die tot RSI kunnen leiden. De werkgever ontsprong echter de dans door te wijzen op atypische symptomen, een jeugdige nekklacht en de reuma van haar moeder. Daarmee stond volgens de Hoge Raad vast dat Van de Wege niet met een voldoende mate van zekerheid en bepaalbaarheid aan haar bewijslast had voldaan dat de RSI door het werk was veroorzaakt. Het is duidelijk dat met deze uitspraak de arbeidsrechtelijke bescherming van de werknemer met een beroepsziekte ver te zoeken is. Ritsma/Lansink is van gelijke strekking.

Mijn vraag: is zo’n jarenlange, peperdure, moeizame en ongelijke rechtsgang te verenigen met het recht op vrije toegang tot de rechter? Ik zou denken van niet. Wetgever, doe er eens wat aan!